Valse moderne theologie

Doodzonde

Verkeerde leerstelling over de natuur van de doodzonde.

Veel priesters houden de volgende theorie over de doodzonde er op na;

Als men eenmaal de fundamentele keuze van het geloof heeft gemaakt, kan men geen doodzonde meer bedrijven, aangezien men in de grond voor het geloof had geopteerd, zou deze zonde als doodzonde u niet worden aangerekend; omdat men innerlijk God niet wilde verloochenen, en men hoogstens mocht veronderstellen dat deze zonde uit zwakheid was begaan.

Paus Pius XII heeft deze theorie in het jaar 1944 veroordeeld;

Ziehier een steeds terugkerend feit in de geschiedenis van de Kerk: telkens het christelijk geloof en de christelijke zedenleer met sterke vijandige stromingen van dwaling of ontspoorde hartstochten in botsing komen, worden pogingen aangewend om de moeilijkheden te overwinnen door een gemakzuchtig compromis, of om ze op een andere wijze te ontwijken of ter zijde te schuiven.
Ook in verband met de geboden van God heeft men aldus een uitweg menen te vinden.
Opdat op zedelijk gebied iets vijandschap met God en verlies van het bovennatuurlijk leven zou veroorzaken en doodzonde zou zijn in de echte zin van het woord, volstaat het niet, beweert men, dat de daad waarover men zich te verantwoorden heeft, gesteld wordt in het klare bewustzijn van haar strijdigheid met Gods gebod. Bovendien is ook vereist dat men de uitdrukkelijke bedoeling heeft de Heer er door te beledigen, de verbondenheid met Hem te verbreken en Hem Zijn Liefde te ontzeggen.
Is die bedoeling er niet, wil de mens van zijn kant de vriendschap met God niet verbreken, dan kan de daad op zichzelf, zegt men, de mens niet schaden. Laten we een voorbeeld geven: de vele afwijkingen van het zesde gebod, zouden, voor de gelovige, die met God verenigd wil blijven en zijn vriendschap bewaren, geen zware tekortkoming zijn en geen doodzondige daad stellen. Waarlijk een verbijsterende oplossing!

Wie ziet immers niet in, hoe in het duidelijk besef dat een bepaalde menselijke daad tegen een Goddelijk gebod indruist, ook besloten ligt dat zij niet kan gericht worden op de vereniging met God?
En dit juist omdat zij een afgekeerdheid zegt, een verwijdering der ziel van God en van de Goddelijke wil; afgekeerdheid die de eenheid en de vriendschap met God verbreekt, zoals precies de doodzonde doet. Leren geloof en theologie dan niet dat elke zonde een belediging van God is, erop ingesteld Hem te beledigen, juist omdat de natuurlijke doelrichting van de doodzonde ingaat tegen de wil van God, uitgedrukt in het gebod dat overtreden wordt?

Wanneer de mens ‘ja’ zegt tot de verboden vrucht, dan zegt hij ‘neen’ tot God die verbiedt; wanneer hij zichzelf en zijn eigen wil hoger stelt dan de wet van God stoot hij God en de Goddelijke wil van zich af.

En daarin bestaat de afgekeerdheid van God en de diepere wezenheid van de doodzonde. Trouwens gij kent zeer goed het woord van Christus:
“Wanneer gij mijn geboden onderhoudt, zult gij in mijn liefde blijven, zoals ook ik de geboden van mijn Vader heb onderhouden en in Zijn liefde blijf.” (Joh.15,1O)

L.Pirenne pr.